Woningnood: "Zo erg is het sinds de 2e wereldoorlog niet geweest"

20 januari 2020

VBO-directeur, Hans van der Ploeg, werd geinterviewd over de woningnood. VBO is voorstander van zo snel mogelijk meer bouwen en dat er stevig wordt ingegrepen door de overheid. Lees het volledige artikel. 

Steeds meer starters zitten vast op de huizenmarkt. Het aanbod is klein en de prijzen zijn hoog. Gelukkig zijn er wél mogelijkheden. De huizenmarkt loopt vast op het moment. De prijzen van huizen stijgen, huurwoningen in de vrije sector zijn flink aan de prijs en er is te weinig sociale huur. De rentes mogen dan laag zijn, door de stijgende prijzen wordt het steeds moeilijker om een huis te vinden. Zeker voor starters met een gemiddeld inkomen.

REKENING VAN DE CRISIS

We krijgen nu de rekening gepresenteerd van de crisis die in 2008 begon, zegt Hans van der Ploeg, directeur van VBO, vereniging van makelaars en taxateurs. „Wij hebben destijds tegen minister Blok gezegd dat er doorgebouwd moest worden, omdat het echt weer goed zou komen met de markt. Hij besloot het stil te leggen. We lopen nu achter de feiten aan.”

De bouw van nieuwe huizen gaat niet snel genoeg, benoemt hij. „Er zijn vorig jaar 38.000 huizen gebouwd, terwijl we er 100.000 nodig hadden.” Hij ziet een deel van de woningzoekers vertrekken naar buiten de randstad. „Maar dat is geen oplossing. Als jij een starter bent met een baan in hartje Amsterdam, is twee uur reizen niet te doen. Er moet gewoon meer worden gebouwd.”

WEL DE RANDSTAD UIT

Voor Nynke de Jong en haar gezin was de randstad uit wel een oplossing. Ze werkt zelf als freelancer en haar man heeft werk in Nunspeet. „We woonden in Utrecht op 65 vierkante meter met twee kinderen. Dat werd al heel snel te klein.” Het stel zoekt in Utrecht, maar kan niks vinden. „Ik moest mezelf forceren iets leuks te vinden en dan vervolgens enorm overbieden. Dat voelde helemaal niet goed.” Ook is ze steeds één van de velen die bezichtigingen doet. „Dan zei de verkoopmakelaar al direct dat er al met tien procent was overboden.” Het gezin woont inmiddels met veel plezier in Zwolle. „Maar we zouden ons huis nu trouwens ook niet meer kunnen betalen.”

Ook Lenneke Manschot vertrok uit de omgeving Utrecht. Ze kwam in Lobith terecht, een klein dorp vlakbij de Duitse grens. „Ik wist dat ik wilde kopen, huren vind ik zonde van mijn geld. Ik ben gaan zoeken in een straal van pakweg een uur rijden vanuit Utrecht. Zo ben ik bij dit huis terecht gekomen.” Ze benoemt wel dat het haar eigenlijk niet uitmaakt waar haar droomhuis staat. „Het had ook Zeist mogen zijn, maar dan had ik toch wel wat meer knaken moeten hebben.” Ook in het dorp waar ze woont ziet ze de prijzen stijgen. „Huizen voor een startersbedrag zijn hier ook zo weg. Alleen de huizen van boven de pakweg 5 ton staan langer te koop.” Manschot werkt als freelance copywriter vanuit huis, wat in haar voordeel werkt. „Als ik mijn baan in Nieuwegein nog had gehad, was ik nooit zo ver weg gaan wonen. Dat is niet te doen.”

Naast de stijgende huizenprijzen, zit er ook een probleem in de huursector, zegt woningmarktexpert Maartje Martens. „In 2008 donderde de markt in elkaar en nam de vraag naar huurwoningen toe. Daar is niet op ingespeeld door projectontwikkelaars, die zijn gespecialiseerd in koopwoningen. Beleggers, die woningen verhuren, zijn weer niet gespecialiseerd in het bouwen van woningen. Zij willen kant-en-klare huizen om in te investeren.” Daar moet wat veranderen, die verandering komt nu langzaam op gang. „Maar is een ingewikkeld proces.”

STEVIG OVERHEIDSINGRIJPEN

Wat Van der Ploeg betreft is er overheidsingrijpen nodig. „En stevig ook. Voordat je een paal in een kavel kunt slaan, ben je met alle regelgeving al gauw zeven jaar verder. Het duurt veel te lang.” Eén van de oplossingen die hij ziet, is dat de overheid gebieden aanwijst waar gebouwd moet worden. „Dan moet de eerste paal ook binnen een half jaar in de grond worden geslagen.”

Ook Martens ziet wel wat in overheidsingrijpen. „Het is eerder zo erg geweest, dat was vlak na de Tweede Wereldoorlog. Daar heeft de overheid destijds beleid op gevoerd. Er is heel veel in de sociale en particuliere sector gebouwd met behulp van overheidssubsidie. Tot eind jaren zestig heeft de overheid het grootste deel van de bouwproductie voor de rekening genomen. Dat geldt ook voor de jaren tachtig in de vorm van premiekoopwoningen. Ik zie dat nu als enige oplossing.”

‘KRANKZINNIG’

De hoge huurprijzen noemt Martens ‘krankzinnig’. „Het is totale anarchie, niemand wordt hier gelukkig van. Het zijn dramatische ontwikkelingen. Tot in de jaren 80 hadden we een huurprijsbeleid, je kon niet zomaar elk bedrag vragen voor een huis. We weten dat dit kan en het gaat nodig zijn als we hieruit willen komen.” Eruit komen, dat moet. „Als we zo doorsukkelen, dan durf ik te zeggen dat we nog tien jaar met dit gezeur zitten”, zegt Van der Ploeg. „Ik ben een Rotterdammer dus ik stroop het liefst mijn mouwen op. Maar als we zo doorgaan, zie ik het somber in.”

Bron: Metro Nieuws